België is niet groot. De langste afstand in ons land is een goeie 300 kilometer. Maar toch is er op dat kleine grondgebied één buslijn die zich uitstrekt over 144 kilometer. Het is lijn 1011, ze is de langste lijn in België en de bus verbindt Luik met Athus, aan de Franse grens. Ik wil de bus, zijn chauffeurs en zijn reizigers leren kennen. Dat avontuur begint op een winterdag.

Dit verhaal begint in een jaar dat er nog echte winterdagen waren. Op 7 december 2012 koop ik in het station van Luik m’n busticket. Voor 7 euro, de prijs van een dagticket, kan ik met de TEC, het Waalse equivalent van De Lijn, heen en terug naar Bastogne. Dat is niet de hele rit naar Athus (3 uur en 30 minuten), maar wel het twee uur durende traject over de Baraque Fraiture (651 meter). Op die Ardense hoogte is vanmorgen tot 15 centimeter sneeuw gevallen. Dat belooft. Maar de bus zelf is een teleurstelling. In plaats van naar de verwachte long distance coach neigt het voertuig eerder naar een fors uitgevallen stadsbus.

Ik vind dit nu al een voldoende reden om België bij elkaar te houden, deze bus, deze weg en deze Ardennen

Ik neem voorin plaats, achter mij is de ruimte voor twee derde gevuld met gelach en geroezemoes van kotstudenten die op deze vrijdag huiswaarts keren. De meesten hebben een trolleykoffer. Zo kom je tegenwoordig van je kot, als van een citytrip. Naast me zitten twee gasten over hun laptop en `Saving Private Ryan’ gebogen, een meisje leest `Hard Times’ van Charles Dickens, en tegenover me heeft de jonge student z’n ogen gesloten en het hoofd tegen het raam gestut. Binnen de tien minuten zal hij slapen. Het is inkapselen als voor een lange vlucht.

Op de eerste zitplaats vlak naast de opstapdeur zit een zwarte man. Hij heeft het royale uitzicht door de voorruit, en kijkt links en rechts naar de sneeuwbulten op de trottoirs.

De bus zelf is een teleurstelling. In plaats van naar een long distance coach neigt het voertuig eerder naar een fors uitgevallen stadsbus.

Eén van de eerste haltes is Harzé. Een kasteel, een Café des Sports, en een dorp waar de inwoners de dikke sneeuw van het voetpad schoffelen. In een hellende tuin rollen kinderen een witte cilinder voor hun sneeuwman.

Buiten strekken zich de witte velden uit, en de bossen met hun donker silhouet. De zwarte man richt zich tot de chauffeur: als er zoveel sneeuw ligt, waar blijven de dieren dan? `Ils sont où, les animaux? Ils sont où, les oiseaux?’ De chauffeur haalt een halve schouder op, ’t is hem geen zorg, en dan klinkt het: `Aha, les oiseaux! Ils sont certainement partis pour l’Afrique.’ Daar moeten ze nu allebei om lachen, dat die vogels naar dat warme continent vertrokken zijn en dat hijzelf naar het koude België is gekomen. En hij zegt het nog eens ten overvloede: `Dans mon pays c’est chaud, c’est soleil-soleil! L’Europe, c’est fou, c’est froidfroid-froid.’

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.07-PM-300x200Werbomont. Een meisje stapt af, met de lage sportschoenen in de hoge sneeuw. Daarna gaat de N3 door een uitgestrekt bos, er zijn geen tegenliggers en de trage tractor wordt ingehaald zonder snelheid te verliezen. Manhay is niet meer dan een open plek in het bos, met een tankstation en een houtzagerij, het decor van een mismoedige film in een dunbevolkt noorden van Amerika. Zo verlaten kan de provincie Luxemburg zijn.

Nabij de Baraque Fraiture wordt de weg een smaller pad in de sneeuw. De sneeuwruimer komt ons tegen, met oranje vlaggen op de spatborden. Het maakt de chauffeur weinig uit, hij blijft ontspannen rijden, één hand los op het stuur, alsof de wielen geen hinder ondervinden van de sneeuw en het gesteven zout. Op de rotonde van de Baraque Fraiture drukt de zwarte man opnieuw zijn verwondering uit. Hoe alles (Maisons! Voitures! Pelouses!) onder een manteau blanc zit. Aandoenlijk, hoe hij dat woord `mantel’ zo ongekunsteld gebruikt.

Broederschap

In Dinez vertraagt de chauffeur en hij zwaait naar een meisje. Ze lacht en gebaart dat het koud is in Dinez. Een bus uit de andere richting, ook een 1011, flitst met de koplichten. De chauffeurs steken de hand op, de broederschap van stuur en spiegel. Ik vind dit nu al een voldoende reden om België bij elkaar te houden, deze bus, deze weg en deze Ardennen.

In Noville stapt een meisje af. Hoe zou het zijn om te leven in Noville, dat 152 inwoners telt en dat na zes seconden al uit het gezicht verdwenen is? De student aan het raam slaapt nu al de hele rit in zijn dichtgeregen winterjas, z’n hoofd steunend tegen het witte landschap daarbuiten.

Uitstappen in Bastogne. De scholieren aan de bushalte mikken sneeuwballen naar een verkeersbord. Tijdeloos tijdverdrijf, ik deed weinig anders op een winterdag in 1967, na de lesuren zocht je een mikpunt om die duffe warme school uiteen te laten spatten.

Ik heb twee uur in Bastogne. In het Musée Piconrue is er tot m’n vreugde een expo over de fotograaf Edmond Dauchot (1905-1978). Als er één iemand de Ardennen en de winter heeft gefotografeerd, dan is het Dauchot. Hij woonde het grootste deel van z’n leven in het afgelegen Ollomont. Dat was z’n epicentrum, al zijn foto’s zijn genomen in een omtrek van twintig kilometer. Dauchot was een wandelaar, een eenzame promeneur in de traditie van David Thoreau.

Naast landschappen portretteerde hij boeren en houthakkers, en kinderen met hun zelfgemaakte sleeën in de dorpsstraat, het ijzeren beslag onder het kistjeshout. Dauchot zag beelden die nu nergens meer te ontwaren zijn. Een uil hangt met gespreide vleugels en twee spijkers op een schuurdeur. Vanwege zijn onheilspellende roep zag men in hem de voorbode van De Dood. En daarom moest de schemervogel zelf worden gedood en zichtbaar worden opgehangen. Een bijna prehistorisch gebruik. Dode vleugels die moeten waken over het lijfsbehoud. Ik had Dauchot in leven willen ontmoeten.

Ruggengraat

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.18-PM-300x198André Calgaro belt. Hoe m’n eerste reis op de 1011 me bevallen is. André woont in Manhay, is ambtenaar, pendelt elke dag met de bus naar Luik  één uur rijden  en is zowat de beschermheilige van alles wat deze buslijn betreft. Tijdens m’n research las ik een blog van hem. Hij lauwert de buschauffeurs als moderne helden: `De witte hel gijzelt vandaag alle weggebruikers. Wij zijn de opvarenden die gestrand zijn op de Ardense hoogten. Wie zal ons uit de nood helpen?! Oneindig is dan onze vreugde als we in die blizzard de bevriende koplampen zien verschijnen. Ginder is het licht van de 1011!’

`Ik ben 56 en ik rijd al 57 jaar met die bus. In de buik van mijn moeder was dat’

Als we mekaar ontmoeten, het is midden in de zomer, ontsteekt hij opnieuw in lyrische bewoordingen. André heeft een bijzondere band met de buslijn. `Ik ben 56 en ik rij al 57 jaar met die bus. In de buik van m’n moeder was dat. We hadden het thuis niet breed en zij moest gaan bijverdienen in een bakkerij in Luik. Elke maandagmorgen nam ze de bus om daar vijf dagen te gaan werken.’

André noemt de buslijn de ruggengraat van de provincie Luxemburg, `en dat al sinds 1945′. Ik moet dat niet als een boutade beschouwen, maar als realiteit: `Die lijn is al decennia onze enige aansluiting met de stad en met de wereld. Zonder die bus kunnen we geen station of luchthaven bereiken. In deze verste en meest geïsoleerde uithoek van België is die hoofdweg naar Luik onze Route 66, en die buslijn onze Greyhound!’

Natuurlijk, autobezitters hebben die bus niet nodig, maar ook nu nog zijn er `duizenden in al die dorpen en gehuchten’ die niet over een auto beschikken. De bus is hun enige uitkomst. En er zijn ook de pendelaars zoals Calgaro, die de buik vol hebben van de files rond Luik. Ook voor hen is de bus een uitweg.

En dit moet ik zéker opschrijven: van alle buslijnen in België is dit allicht de lijn met de meest hechte band tussen reizigers en chauffeurs. Jong of oud, bij alle leeftijden zijn de bestuurders geliefd.

André Calgaro: ‘Waar kom je dat tegen, dat de chauffeur een mop vertelt en dat die mop wordt doorverteld tot helemaal achter in de bus?! Die bus is geen voertuig met zwijgende gezichten achter de ramen. Nee, dat is een plek waar iedereen iedereen kent. En waar de habitués zelfs vaste plaatsen hebben. Ik zit altijd op de eerste rij links. Zo heb ik een direct contact met de chauffeur én met de opstappende reizigers. En als een onwetende op die plek gaat zitten, zal de chauffeur zeggen: `Dat is de plaats van André.’ Noch ’s morgens, noch ’s avonds hoef ik me dus druk te maken om een zitplaats, ze is altijd voorbehouden.

‘Vanop mijn plek heb ik de chauffeur al eens kunnen beschermen. Er stapte een kerel op, zo zat als een kanon. De chauffeur verbood hem de toegang, en daarop greep-ie in z’n zak, ik zag een musketon die hij als boksbeugel ging gebruiken. Ik heb geen seconde getwijfeld, ik ben boven op die vent gesprongen, we zijn allebei uit de bus getuimeld, en ik heb hem op de grond gespijkerd. Groot applaus in de bus, politie erbij, verklaringen afleggen en iedereen heeft geduldig een uur gewacht tot we weer met onze chauffeur konden vertrekken. Samen uit, samen thuis!’

Indianen zonder pluimen

Calgaro: ‘Natuurlijk zijn we al door alle weer gereden. Stormen en hevige rukwinden waarbij je bidt dat de bomen niet op de weg zullen vallen. Pas de souci, zij rijden erdoor. Ik heb 30 centimeter sneeuw weten liggen, onze chauffeur ging erdoorheen. Het was in de winter van 2010. Wij stonden bij het bushokje in Manhay met z’n vijven in te sneeuwen, er vielen vlokken van een duim groot, de wind huilde om dat hok. Na een halfuur was er nog niet één auto gepasseerd, en was er ook nog niks geruimd omdat het zo vroeg was. En ineens zien we in die sneeuwjacht de koplichten van de bus opdoemen, onze chauffeur is er! En dan de ambiance in die bus! Dat had iets van: wij alleen op de weg, wij alleen tegen de natuurelementen. Je zit in die warme bus, de chauffeur laveert als enige door die sneeuwstorm, dat was een gevoel alsof wij álles aankonden.

‘Nog in 2010. We staan in Luik, het is 17 uur, het sneeuwt geweldig en ineens krijgt onze chauffeur een sms van de baas: `Je mag niet vertrekken, het is veel te gevaarlijk op de Ardense hoogten.’ En wat zegt onze chauffeur: `Ecoute, chef, ik sta hier met tachtig passagiers, die kan ik onmogelijk in de steek laten.’ En hij vertrekt! Hij negeert het bevel van zijn baas! Ik zie ons nog rijden, vrachtwagens in schaar over de weg, hij slalomt er voorbij. Een bange, trage chauffeur op het rechtervak? Hup, hij zwenkt naar het linkervak waar niet geruimd is. Liever door die diepe sneeuw ploegen dan te moeten remmen achter die bangerik, met het risico dat de bus gaat schuiven. En zo zijn we thuisgekomen. Zonder ongelukken.

‘Het zijn dus helden. Niet omdat ze zoveel durven, maar omdat ze doordrongen zijn van hun functie. Dat zij voor het openbaar vervoer werken en Aan Het Publiek Een Dienst Verlenen. Met hoofdletters, alstublieft! Hun houding is des te straffer als je weet dat de lijn in handen is van een privéfirma, het is een pachter die voor de TEC rijdt.’

`Deze buslijn heeft de regio ontsloten zoals de spoorweg dat in de Far West heeft gedaan.’

Calgaro komt er nog eens op terug hoe geïsoleerd die provincie Luxemburg wel is. Calgaro: ‘U moet dat goed beseffen. Wij zijn inboorlingen. Wij zijn indianen zonder pluimen die midden in de bossen wonen. En dwars door dat niemandsland loopt een buslijn, en die heeft deze regio ontsloten zoals de spoorweg dat in de Far West heeft gedaan.’

La vraie route

Bastogne is niet de Far West, maar toch al behoorlijk leeg om 6 uur ’s avonds. Op de terugweg naar Luik zijn er slechts zeven reizigers. De chauffeur heeft de radio afgestemd op RTL en die zender waarschuwt voor ijsplekken en sneeuwval later in de nacht. Vanaf Wicourt is er geen wegverlichting meer. Wat daarstraks nog landschap was, is nu donkerte. Met alleen de schijnwerpers die de kleine reflectoren belichten in de bochten, en met ijle driftsneeuw die naar de koplampen wordt gezogen.

Voorin zittend zie ik het gemak waarmee de chauffeur over de gladde wegen rijdt. Met 75 per uur en nog altijd met één hand nonchalant aan het stuur. Zo boort de bus zich door de duisternis, de ramen geven hun licht aan de sneeuw langs de weg, boven het hoofd van de chauffeur leidt een non-stoppraatprogramma z’n eigen leven. De Franse radiostem heeft het over geweld in het voetbal nadat in Nederland een grensrechter is doodgeslagen. Actualiteit van deze planeet, maar nu heel veraf, dit is een andere baan om de aarde.

Uit de verte komt een andere bus. Op de display boven die voorruit verspringt de `1011′ in twee woorden: `Joyeux Noël’. De onze groet terug door alle lichten in z’n stuurpost te ontsteken. Als bijpassende feestverlichting. Het lijkt te wijzen op een gemoedelijk bestaan, maar toch is het niet iedereen gegeven om chauffeur te zijn op deze Langste Lijn. Dat maak ik op als ik Bruno (De naam van de chauffeur is gewijzigd om de anonimiteit te bewaren.) interview. Hij is een ancien met vijftien jaar dienst. Het type dat van kleins af achter een groot stuur wilde zitten. Hij is niet te vinden voor busrondjes in een stad, geef hem maar la vraie route, en bij nieuwelingen heeft hij meteen gezien of ze `het’ hebben.

Bruno: ‘Er zijn te weinig jonge gasten die nog graag rijden. Ik merk dat. Ik groet altijd een collega in een bus van de andere richting. En als hij niet terug groet, dan weet ik genoeg: dat is geen goeie chauffeur. Want wie graag op de weg is, die steekt zijn hand op naar de collega’s. Net zoals de motards dat doen, en die zijn ook graag op de baan.’

Waar ben ik?

En dat het natuurlijk een lang en identiek traject is dat je dag na dag en week na week moet afmalen. Maar hem deert het niet. `Voor mij is elke rit verschillend. De ene keer zie je een auto in de gracht, de andere keer heeft een reiziger een paar goeie moppen. Ik zie geen monotonie, want er is er geen.’

Maar dat je wel uit wintertype D of E gesneden moet zijn, en dus niet bang van de pakken sneeuw die hier soms vallen (`Ik heb het voordeel van een Ardennais te zijn. Ik ben geboren en getogen in de sneeuw’). En als er een werkwoord is dat de ware chauffeur typeert, dan is het se débrouiller.

Bruno: ‘Als het stormt, dan weet ik dat het kan spoken nabij de Baraque Fraiture. Zoals die ene keer. Staat er ineens een tiep stoptekens te doen langs de weg. `Niet verder rijden,’ roept hij, `want in het bos van Chenalpierre, daar waaien de bomen om, daar liggen er nu al over de weg.’ En toen heb ik de passagiers gevraagd wat hun bestemming was en ter plekke een ander parcours bedacht, uitgaande van de wegen waar weinig bomen waren. Een omweg van vele kilometers, maar ik heb iedereen op zijn bestemming gekregen.’

`De ene keer zie je een auto in de gracht, de andere keer heeft een reiziger een paar goeie moppen: ik zie geen monotonie.’

Daarvoor moet je de streek grondig kennen, natuurlijk. Maar als het sneeuwt, wordt het soms lastig.

Bruno: ‘Als je dán van je route moet afwijken, is de regel: overleg éérst met de centrale. Maar een jonge chauffeur moest eens uitwijken voor een zwaar ongeval op een winteravond. De politie stond daar in de stuivende sneeuw: `Opzij, opzij! Iedereen rechts afslaan!’ Hij belt de centrale, maar het was al na zessen, niemand meer aanwezig. Krijg ik die avond plots telefoon thuis: `Kan jij me zeggen hoe ik moet rijden? Ik weet niet meer waar ik ben.’ Dus ik zeg: `Beschrijf me wat je ziet.’ `Ik zie niks,’ zegt hij, `alleen maar sneeuw, en dat het donker is.’ Hij was op een boerenweg verzeild, maar hij zag zelfs geen boerderij staan. Zijn passagiers wisten evenmin waar ze waren, die konden zich ook niet oriënteren dans ce trou perdu. Hij is er op de duur toch uit geraakt, maar voor zo’n jonge chauffeur is dat stresserend. Niet weten waar je bent, mensen aan boord, dat dure voertuig in je handen en elke minuut in de gracht kunnen schuiven.’

Noordpoolstijl

Het is niet alleen de winter, ook de passagiers kunnen de bestuurder van de wijs brengen. En dat jonge gasten de chauffeur willen opnaaien, dat gebeurt niet alleen in de stad, maar ook hier op de buiten. En dan zeker op dat lange traject,genoeg voor enige verveling en wat koeioneren van de chauffeur.

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.28-PM-300x201Bruno: ‘Van mij mag er luid gelachen en zelfs gezongen worden op de bus, maar toch kennen de jonge gasten mij als iemand met wie níét te sollen valt. Dat ontzag is er niet zomaar gekomen. Je moet het afdwingen, zeker bij de beginnende scholieren, die je nog niet kennen. Je kent dat: dingding-ding-ding-ding, wat onnozel op de bel beginnen te duwen. Zo testen ze uit hoever je hen laat doen. Ik geef dan één waarschuwing en houdt het niet op, dan ben ik de man om langs de weg te stoppen en rustig te verkondigen dat ik de bel van dan af ga uitschakelen. Niet één dag, maar een hele maand, en wie wil afstappen, moet naar voren komen en mij persoonlijk vragen om te stoppen. `Ja,’ zeg ik dan, `zoals jullie in de klas je vinger moeten opsteken.’ Woeha, gehuil en hoongelach op die achterste banken, maar al na een week zijn ze zo braaf als schoothondjes.

‘Ik heb er ook al eentje onderweg doen uitstappen, `noordpoolstijl’, er lag één meter sneeuw in de velden. Ik stop, hij wilde d’r niet uit. Ik grabbelde z’n boekentas en smeet die alvast de wei in, `en daar ga jij ook heen als je niet luistert’. Dat doe ik voor een volle bus, zonder complexen. En hij is uitgestapt.’

Hij is dus allerminst bang uitgevallen, maar wat hij eng vindt, `is één passagier in de laatavondbus, zo’n vent die daar maar zit en zwijgt, daar heb ik het niet mee. Dan kijk ik vaker in de achteruitkijkspiegel.’ Bruno: ‘Eén keer heb ik één man geweigerd. Het was een winterochtend, alles nog donker en doodstil, en aan een afgelegen halte staat één man, met een donkere hoed en een lange donkere jas, zijn gezicht amper te zien. Die mec heb ik laten staan. Iets zei me dat hij daar en op dat uur niet thuishoorde en instinctief ben ik die halte voorbijgereden.’

Man in the long black coat, en dan was er ook de jonge vrouw met het rode haar.

`Wat echt eng is: één passagier in de laatavondbus, zo’n vent die daar maar zit en zwijgt’

Bruno: ‘Ze stapte op in Bastogne, op een stille namiddag, niemand anders in de bus, en ze ging gelijk helemaal achterin zitten. Ik keek toen ook vaak in de achteruitkijkspiegel, niet dat ze d’r gevaarlijk uitzag, maar ze zat daar wel de hele tijd te wriemelen. In Athus stapte ze uit, ik ging toch eens kijken naar die achterbank, en wat zag ik? Schuimvlokken op de grond. En donker haar! Schaamhaar nog wel! Ze had dus haar minou zitten scheren in de bus. Beetje fatsoeneren, quoi, voor het afspraakje met d’r vriend! (lacht)’

WC op wielen

Ja, het is een speciale lijn, mét speciale passagiers. Maar dat hij toch liever twintig of dertig jaar geleden chauffeur was geweest. Hij benijdt die oudere generatie.

Bruno: ‘Onze bussen zijn krachtiger, we kunnen alle hellingen en weertypes aan. Maar zij waren onafhankelijker en aan minder regels gebonden. Als de route versperd was door sneeuwophopingen, dan volgden ze zonder toelating een ander traject, en als ze dan toch vast raakten, dan stapten ze uit, ze haalden schoppen uit de koffer en de passagiers hielpen mee de bus uitgraven. Nu zou dat niet meer mogen, je zou niet gedekt zijn door de verzekering. Toen was er dat avontuur van iedereen die naar huis wilde en niemand die eraan dacht de chauffeur in de steek te laten. Laat staan dat iemand dácht aan de verzekering!’

Ik heb die oudgedienden gesproken, met vele dienstjaren op de teller. Jean Zune reed van 1975 tot 1999 en Albain Voz van 1964 tot 1988. Ook Danny Calgaro is er. De vader van André heeft in de jaren 80 drie jaar op la ligne gereden, hij heeft me bij deze anciens geïntroduceerd.

Danny legt eerst uit dat het hier in Manhay een regengat is, dat er dubbel zoveel neerslag valt als in Ukkel, en omdat veel chauffeurs uit de buurt van Manhay komen, zijn ze dus opgegroeid met die neerslag, met mist en ijzel, met regen en sneeuw. Het gaat al meteen over barre winters, urenlange vertragingen door sneeuwstormen en je reisweg à l’improviste voortzetten door allerlei gehuchten omdat de hoofdas geblokkeerd is door sneeuwduinen of geknakte bomen. Zo moet de Baraque Fraiture ooit zo dik besneeuwd zijn geweest dat twee chauffeurs in een hotel hebben moeten overnachten. Laconieke commentaar: `Er waren in die jaren geen goed uitgeruste sneeuwruimers en zoutstrooiers zoals nu.’

En dat het klopt dat zij toen onafhankelijker waren dan de chauffeurs van nu, maar tegelijk reden die bussen toen veel trager dan nu omdat ze minder power hadden. `Wij kropen soms met 40 per uur de hellingen op, en als de bus vol zat, haalden we zelfs geen 40.’ En reken maar dat de bussen toen vol zaten, omdat minder mensen een auto hadden. Jean herinnert zich een Allerzielen met meer dan honderd passagiers terwijl er maar vijftig plaatsen waren, de reizigers zaten bijna op z’n schoot!

Toen had de bus nog het uitzicht van een Pullman-autocar met achterin zelfs een toilet, `wat nuttig was op zo’n lang traject’. De sleutel ging je vragen bij de chauffeur. In de jaren 70 werd die wc-cabine weggehaald en dat hebben zij gewéten! Braaksel tussen de zetels, moeten stoppen omdat een passagier dringend in de struiken moest, allemaal tijdverlies!

Maar de job had ook zijn voordelen in natura. In het grensdorp Martelange was er een halte langs de Belgische kant van de weg, daar kon je gauw-gauw oversteken en in de Luxemburgse supermarkt goedkope sigaretten kopen, met fardes tegelijk. December had dan weer zijn kerstbomen in de kant, van de kwekers die ze klaarlegden om ze de volgende dag op de tractor te laden. Nooit is ontdekt dat Jean daar stopte om een spar of vijf in de koffer te stouwen, één voor elke collega.

Kus van de chauffeur

En nu spreken ze over les arrêts de complaisance. Een mooi woord om te zeggen dat een vaste klant soms een eind voor of na een halte mocht uitstappen, gewoon omdat het hem beter uitkwam. Wat natuurlijk ten strengste verboden was. Zij weten niet of dat nu nog mogelijk is, zo’n halte à la carte. André Calgaro zal daar later geen geheim van maken. `Natuurlijk bestaat dat nog.’ Soms belt hij zelfs de naderende chauffeur dat hij niet tijdig op z’n halte kan geraken, en die pikt hem dan op langs de hoofdweg. Ik mag één ding immers niet vergeten: `Chauffeurs en habitués, wij zijn bondgenoten. De chauffeur is voor ons niet de man die de bus bestuurt. De chauffeur is de sympathieke tiep die je naar je school of je werk brengt. En op die bus heerst une ambiance familiale. Je zou dat moeten zien ’s morgens. Mannen, vrouwen, jong en oud, allemaal kussen ze de chauffeur bij het opstappen. `Bonjour, comment vastu?’ Et on fait la bise. Natuurlijk doen niet álle chauffeurs dat en ook niet alle reizigers, maar wel zij die al ‘ns vaker babbelen met mekaar.’

Ik weet van dat vlotte kussen op de Waalse werkvloeren, maar dit is straf, je buschauffeur kussen?! André lacht: `Et oui! Wij tonen ons abonnement niet meer, wij geven alleen nog een kus.’

Chauffeur Bruno is verbaasd als ik naar dat kusgedrag informeer, voor hem is het heel gewoon: `Ik geef inderdaad een bise aan m’n vaste klanten. En evengoed aan de 12-jarige scholier als aan de 50-jarige bediende, evengoed aan iemand die een uur of maar een paar haltes op m’n bus zit. En ’s avonds zie ik ze terug: eh bien, dan kussen wij opnieuw!’

Deel 2

Bus 1011 is de langste buslijn van België, ze verbindt Luik met Athus, een rit van drieënhalf uur. Dat lange traject en de vele habitués op de lijn maken dat er een band is tussen chauffeurs en inzittenden. Er wordt gekust bij het opstappen, en de chauffeurs zijn betrokken bij lief en leed van hun reizigers. Bonne route, de term is uitgevonden voor bus 1011.

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.37-PM-300x200André Calgaro is om halfzes opgestaan met koffie en sigaretten. Er staan sterren en een bitse noordooster, hij schraapt het ijs van de autoruiten en we rijden de 5 kilometer van Freyneux naar Manhay. Tegen acht uur moet hij op z’n werk zijn in Luik, en dus moet André elke dag de eerste bus nemen, die van 6.40 uur. Bij het afdak van de halte staan nog vijf wachtenden en dan is de bus er, twee felle koplampen onder de oranje straatverlichting. Alle passagiers begroeten de chauffeur, maar het is enkel André die de chauffeur kust. Om meer reizigers te zien kussen, is het wachten tot in Werbomont (`Village chaleureux’) waar chauffeur Bernard (De naam van de chauffeur is gewijzigd om de anonimiteit te bewaren) door zes van de vijftien opstappende reizigers wordt gezoend. Ik zie ook zittende passagiers die de opstappenden per kus goeiemorgen wensen. Voor een noorderling blijft het verwarrend, dat kussend een bus betreden. Ondanks het vroege uur werpt André zich op als luide animator van de vrouwen op de voorste rijen  zijn haantjeshumor ondergaan ze zoals het weer, je kunt er niks aan veranderen. Er zijn ook reizigers die geen deel hebben aan de convivialité, die de krant lezen of over een smartphone gebogen zitten. Chauffeur Bernard is in een babbel verwikkeld met een onderwijzeres van een lagere school, ze vraagt hoe zijn twee kinderen, die ook naar de lagere school gaan, het stellen. Het praten gaat door tot de files en de achterlichten van Luik in zicht komen: dicht bij school en werk lijkt de conversatie stil te vallen. De radio, die tot halfweg de bus te horen is, meldt in het ochtendjournaal de zelfmoord van een jonge kippenboer in de Condroz, hij laat grote schulden en een gezin van vier kinderen na. Doorheen dat drama en andere actua wenst Bernard elke afstappende une bonne journée. En tegen een zwangere vrouw glimlacht hij dat ze nu zeker `voor twee gaat werken’! Het bordje `Verboden met de bestuurder te spreken’ hangt hier al decennialang nutteloos te wezen. André Calgaro, pendelaar en vaste klant van bus 1011 had me tevoren enthousiast ingelicht over de familiale sfeer aan boord. André Calgaro: ‘Je zult dat zien, bij ons zit de chauffeur niet achter een plexiwand, als een stomme vis in een bokaal, néé, onze chauffeurs zijn toegankelijk voor hun passagiers. Voor die jonge gasten zijn de chauffeurs zelfs vertrouwenspersonen.’ Bruno, vijtien jaar chauffeur (de naam van de chauffeur is gewijzigd om de anonimiteit te bewaren.): ‘Als je een heel schooljaar dezelfde scholieren aan dezelfde halte meeneemt, dan ontstaat er vanzelf enige affiniteit. En ’s morgens, in die volle bus, is dat een losse babbel, maar als ik hen op een rustig tijdstip tref, vertellen ze ook vertrouwelijke zaken. Zoals dat meisje van 17 dat vaak over haar ouders spreekt, heel persoonlijke dingen. Ik vraag er nooit naar, maar ze zoekt iemand bij wie ze dat kwijt kan. Soms vragen ze me ook om raad, vaak over de relatie met hun lief. Ik ben dertig jaar ouder, maar ik probeer me toch in te leven en advies te geven. ‘Jongeren van die leeftijd hebben soms ook existentiële vragen. Een copain of copine van hun klas heeft zelfmoord gepleegd, en aan wat ze vertellen, merk ik hoe ze daarmee worstelen, met de zin van het leven.’ Met de jonge reizigers is er dus veel contact, maar de chauffeurs zien dat wel afnemen sinds de opkomst van smartphone en tablet: `Ze praten nu minder met ons, en ook minder met hun medescholieren.’

Adré Calgaro: `Wat is er tussen Luik en Athus? Niks! Die bus is onze hoofdslagader. Die bus is onze lifeline.’

Met de oudere reizigers zijn er minder gesprekken. `Die zullen maar af en toe naar voren komen, maar ineens vertellen ze dan toch dat hun man of vrouw gestorven is, en ik zie hen in de maanden daarna soms versomberen in de bus. Zwijgend, verdrietig, verzonken in hun zwarte gedachten.’

Bel de chauffeur!

Over de band met de chauffeurs raakt André Calgaro niet uitgepraat. De eerste keer dat ik ‘m sprak, vroeg hij al of ik Vlaamse busreizigers kende die het gsm-nummer hebben van hun buschauffeur. Dat blijkt hier een gewone zaak te zijn. Om navraag te doen als de bus vertraging heeft, `maar evengoed om met de chauffeur te babbelen als hij thuis is’. Ik moet licht ongelovig hebben gekeken, want hij haalde gelijk zijn gsm boven, toetste een nummer in en kwam en direct bij een chauffeur terecht die ter hoogte van Houffalize reed. Calgaro ‘Enkele meisjes hebben zelfs de nummers van álle chauffeurs! Dat heeft niks amoureus, dat bestaat al zo lang als het openbaar vervoer: reizigers die graag vooraan staan om met de bestuurder te babbelen. Vooral vrouwen hebben iets met buschauffeurs. Dat is de aantrekkingskracht van die man, van die sterke figuur die daar vooraan in dat voertuig zit, en tóch tijd heeft om naar je te luisteren. In feite is het een relatie met een andere man, maar omdat ze voor iedereen zichtbaar is, is die relatie ook onschuldig. Een man op café spreek je niet aan, want dan ben je een slet. Maar de buschauffer is een man die je ongestraft mag benaderen, een man wiens gezelschap je altijd mag opzoeken.’

Bus tegen koe

De ochtendrit van Bernard zit erop. We drinken koffie en een halfuur later vertrekt-ie opnieuw, voor de drieënhalf uur van Luik naar Athus. De zon komt schitterend op boven de stad en het water van de Ourthe, en hij zal het ook tegen een meisje zeggen, dat het een mooie dag wordt vandaag. Intussen zoekt hij een zender met Franstalige oldies, gelakte rock die aan strandstoelen en transistorradio’s doet denken. De reizigers zijn onderweg voor werk en opleiding, en op dit uur tref je ook altijd wel een 65-plusser die gaat shoppen in Martelange. `In Luxemburg is een pakje sigaretten 1,2 euro goedkoper. Daarvoor wil zo’n gepensioneerde gerust twee keer twee uur op de bus zitten. Ik ken er die met de caddy komen en heel hun quartier bevoorraden.’ We beginnen aan lange bossen waar menig hert grote sprongen maakt in de verkeersborden. Een collega heeft vorig jaar een everzwijn aangereden. Zijn vaste busklanten dachten gelijk aan de beroemde everjager uit Gallië en noemen hem nu Obelix. Oud-chauffeur Jean Zune reed ooit een ree aan. Het dode beest legde hij vooraan op het trapje (`Alle passagiers zijn komen kijken’) en onderweg is zijn schoonbroer het dier komen oppikken. `En ik kan het weten, zo’n botsing met wild, dat smaakt aan tafel!’ Albain Voz, eveneens ancien, reed ooit tegen een koe. Albain Voz: ‘Een reiziger belde om te stoppen, ik keek even in m’n spiegel en weer vooruit, en daar stond die koe. Baf erbovenop, en dat beest morsdood. Ik bel de mecanicien op, hij komt een kwartier later en het eerste wat hij vraagt is niet of er gekwetsten zijn, maar waarom ik die koe de keel niet heb overgesneden en heb laten leegbloeden, `want zo wordt het vlees slecht’. Ik zei nog: `Denk jij dat elke buschauffeur een slagersmes bij zich heeft?!’ Maar ik begreep hem wel. Je bent kind van de buiten, je woont tussen boeren en jagers, je kunt met vee en vlees omgaan, en dan is het een onvergeeflijke fout als je goed vlees verspilt. De mecanicien had wél een groot mes bij zich, maar het was al te laat. Omdat de koe nog een paar minuten had geleefd en afgezien, was het vlees zwart uitgeslagen door de stress en de adrenaline.’ Als het over ongevallen gaat, moet Jean altijd aan de pastoor van Grandménil denken. Omdat het regende, wachtte die man in de enige abri, aan de overkant van de weg. Jean Zune: ‘Hij ziet felle koplampen komen, hij wil oversteken, denkende dat ik het ben die wel zal afzwenken en stoppen, maar het is een grote snel rijdende camionette die hem niet meer kan ontwijken. Vijf seconden later kom ik daar aan met de bus, ik heb gevoeld of zijn hart nog klopte, maar het was al gedaan.’

Roze logement

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.44-PM-300x201Een vrouw komt tot bij Bernard, of er in Houffalize ergens een wc is, ze voelt zich onpasselijk. De chauffeurs weten waar ze moeten stoppen in die gevallen, soms een café, soms een ziekenhuis  in Houffalize is dat het gemeentehuis. Bernard wacht vijf minuten en zwaait intussen naar `busbekenden’, habitués die op andere uren of dagen opstappen. Ik zal Bernard vandaag nog vaak zien zwaaien, naar vrouwen die op vaste tijdstippen de brievenbus legen of aan hun voordeur een sigaret roken. Je salue un peu partout, zal hij zeggen. En dat het zijn dag goed maakt: `Ik rij niet zomaar langs een baan, ik rij voortdurend langs bekenden.’ De weg leidt naar Bastogne. Bernard heeft soms Ameri-kaanse toeristen aan boord die de Slag om de Ardennen veel beter kennen dan hij, die hém vertellen waar wat gebeurd is. Een eind buiten Bastogne ligt de zwartwitte bult van een dode das op het asfalt, en later volgt een doodgereden vos. Bernard ziet de vossen overal, zelfs in het centrum van Bastogne, waar ze in de vroege ochtend langs de vuilniszakken scharrelen. We rijden door Arlon, en dan naar Athus, waar het Ardense landschap opgaat in shoppingcenters en dito Boomsesteenwegen. Dit is de diepste broekzak van België, `het zuiden van het zuiden’, de cafés hebben er reclame voor Diekirch, Mousel en Bofferding. Bernard wijst een rozegeverfde woning aan, hun nachtlogement. Ook dit is uniquement bus 1011, dat de chauffeur van de laatste bus de nacht doorbrengt op z’n eindhalte. Hij is immers ook de chauffeur die ’s morgens met de eerste bus naar Luik vertrekt. Het logement heeft een aparte geschiedenis, want veertig jaar lang sliepen de chauffeurs in een houten barak die ooit de noodkerk van Houffalize was, nadat de stenen kerk aldaar verwoest was in de Slag om de Ardennen. In de jaren 60 hebben ze die houten kerk dan afgebroken en in Athus heropgebouwd. Het huis van God werd letterlijk een huis van de bus. De autocar stond in de hoofdbeuk, en de chauffeur en de ontvanger sliepen in de sacristie, waar twee slaapkamers en een keukentje waren ingericht. En het zijn onbevestigde geruchten, maar die nachten in Athus bleken door vrouwen en drank al eens korter uit te vallen dan in de rest van het land. Begin jaren 90 is de busbarak afgebrand, daarna werd er overnacht in een pension, en de laatste jaren in het roze appartement.

Roddelen

Het station van Athus is de terminus. Er stoppen Franse treinen en de dichtgemaakte ramen zijn bekrast en beschreven als toiletdeuren. Wie hier arriveert, staat voor een uitgestorven rotonde en rijen geparkeerde auto’s die een braakliggend terrein afzomen. Iets heeft hier toegeslagen, het zal de sluiting van de staalindustrie zijn geweest. Met een collega van een lokale buslijn rijden we naar een eethuis. Een werkmansfrituur, met magere koppen en een taai zwijgen bij het wachten en aanschuiven. De chauffeurs wisselen verhalen uit over onhebbelijke bomma’s, met conversaties die met schriele stem worden geïmiteerd. Als we na de middagpauze weer bij het station komen, staat daar nog steeds dezelfde man van anderhalf uur geleden. In zijn ouwe anorak, en met de armen dof langs het lichaam. Hij wacht graag aan stations. En `dat stations gemaakt zijn voor mensen die wachten’. Daarna zegt hij niks meer. Ik besef dat dit bestaan een wachtzaal is. We verlaten Athus en ik vraag Bernard of het nooit vermoeit, dat heen en weer pendelen en steeds dezelfde plaatsen zien. Hij zit er niet mee. Met schoolkinderen rijden, dat is pas saai, elke dag dezelfde straten en dezelfde kinderen, een elléndig bestaan. Ook stadsbussen zijn niks voor hem: de mensen zijn er zwijgzaam. Als het maar voor een paar haltes is, kijkt iedereen voor zich uit. Op zo’n lang traject nemen de reizigers meer de tijd, zijn ze meer relaxt en openhartiger. In Sainlez haast een man zich naar de halte, hijgend staat hij in de deur. `Pas de souci, Abdel, je hoefde niet te lopen, ik had zeker op je gewacht.’ Ik verneem dat Abdel hier een lief heeft wonen dat hij wekelijks bezoekt. Hij weet dus veel, de buschauffeur. Bernard beaamt, maar zegt erbij dat je daardoor ook voorzichtig moet zijn. En dat je vaak moet kunnen zwijgen. Dus tegen een opstappende vrouw níét zeggen dat je zojuist haar man hebt gezien in Houffalize. Je denkt haar een plezier te doen door dat te zeggen, maar het kan evengoed argwaan opwekken, als die man op dat uur absoluut niet in Houffalize moet zijn. Een chauffeur moet ook neutraal zijn. Als scholieren roddelen dat leraar A. een klootzak is, en juf B. een onmogelijk mens, dan hou je je daarbuiten. Een collega roddelde een eindje mee, en wat bleek: twee rijen verder zat een kennis van `de klootzak’ over wie ze het hadden. En die ging natuurlijk rondvertellen wat voor een roddelblad die chauffeur wel was. Ja, zegt Bernard, het is soms meer een dorp dan een bus.

Pralines en champagne

Screen-shot-2016-02-07-at-7.26.50-PM-300x199André Calgaro had me vooraf krek hetzelfde gezegd: `Die bus, dat is een dorp. Waar iedereen iedereen kent, zoals in een café met vaste stamgasten. Het enige wat ontbreekt, is een toog en glazen.’ Gerief dat niet altijd blijkt te mankeren, getuige de feestelijke verjaardagen van André. Calgaro: ‘Als ik jarig ben, deel ik een kilo pralines uit; en toen ik 50 werd, had ik champagne mee voor heel de bus. Toen hebben ze voor mij gezongen! ‘Nieuwjaar vier ik ook altijd: na m’n eerste werkdag presenteer ik een Monbazillac met stokbrood en foie gras. De glazen gaan rond en ik snij en beleg het brood. Dit jaar kreeg ik de chauffeur tegen, hij was nieuw en zei vlakaf: `Ik verbied dat er in mijn bus gegeten wordt.’ En ik heb geantwoord: `’t Is Nieuwjaar, je m’en fous.’ Boos dat hij was. Het was de eerste keer dat me zoiets overkwam. Zo’n chauffeur is een uitzondering.’ De chauffeurs noemen André op hun beurt een uitzondering: `Er is maar één passagier die zo royaal trakteert.’ Maar bescheiden feestelijkheden zien ze geregeld. Een geslaagde student die pralines uitdeelt, of een meisje dat een verjaardag viert en met snoepjes rondgaat. En dan is er ook nog de erkentelijkheid van de habitués met Nieuwjaar: zowel Bruno als Bernard krijgen dan meerdere pralinedozen en wijnflessen aangereikt. Een dankbaarheid die Calgaro niet verrast: `Elke dag vertrouw je je leven aan die chauffeur toe. Als hij daar veilig over waakt, dan mag daar iets tegenover staan.’ Chauffeur Bruno is ook al een keer uitgenodigd voor een fuif. `Ik kon niet, maar omdat ze zo vriendelijk waren om me uit te nodigen, heb ik die jonge gasten 10 euro gegeven, dat moesten ze dan maar opdrinken op mijn gezondheid. Later stond op Facebook dat ik hun favoriete chauffeur was.’ Calgaro: ‘En wordt iemand vader, dan trakteert hij de bus met doopsuiker of andere confiserie. Zeker als de chauffeur zélf papa wordt! Wat voor ons nooit een verrassing is, want de bus heeft de zwangerschap van zijn vrouw uiteraard op de voet gevolgd. Ik denk overigens niet dat er al geboortes hebben plaatsgevonden op de bus, en bij mijn weten ook geen sterfgevallen, maar seks: yes sir! Op de achterste rij van de bus (lacht medeplichtig). Maar dan wel in de jaren 70.’

Greyhound, Nebraska

Tussen Houffalize en Bastogne worden de huizen schaarser en de vergezichten wijdser. En ik weet wel dat dit geen Grey-hound is, 144 kilometer is geen € 4.700 kilometer, maar het reizen op die Amerikaanse bussen is een inspiratie geweest. Dat ik bussen en lange afstanden met de winter associeer, is daar ook begonnen: op een decemberdag in 1990, toen ik op een Greyhound wachtte in Omaha, Nebraska. Op alle wegen woedden sneeuwstormen en toch kwamen de chauffeurs opdagen. Ze sloegen met hun vuist het ijs van de grill en de koplampen, namen de microfoon, riepen `I’ll drive this baby right thru them blizzards’ en gingen onder gejuich van de passagiers opnieuw de weg op naar Denver, Cheyenne en Kalispell. In Hibbing, de hometown van Bob Dylan, heb ik later ook het Greyhoundmuseum-in-opbouw bezocht. In de stelplaats stond zo’n ouder model dat coast-to-coast had gereden, met die lange stroomlijnen van zilveren chroom. De ingesleten zetels kenden nog altijd het verhaal van de Vietnam-vets, de Woodstock-hippies en de boerenjongens die naar de stad trokken. De matte ramen hadden nog altijd die weerspiegeling waarin tienduizenden op hun leven hadden zitten terugkijken. Bussen zijn maar bussen, maar als ze lange tijd grote stukken land en lange stukken van mensenlevens doorkruisen, dan worden ze geheugen en geschiedenis.

Je vais pisser

Zo is het ook bij André Calgaro. Elke mijlpaal in zijn leven is gelieerd aan die bus. Ze was zijn fil rouge, zijn rite de passage. Calgaro: ‘Dat ik van de kleuterschool naar de lagere school overstapte, was voor mijn grootmoeder zo’n belangrijk evenement dat ze mij met de bus naar Luik meenam om daar schoolbenodigdheden te kopen. Het was in augustus 1963, één week voor de eerste schooldag, en ik zie ons nog vertrekken. Ik in een kostuumpje en zij met handtas, mantel met hermelijnkraag, hoed en voilette voor de ogen! Dik en deftig stapten wij door die zomerse warmte. Van het dorpje Vaux-Chavanes naar de bushalte in Manhay, dat was één uur gaan. En dan de bus op naar Luik, ik zeg u, dat was niet naar Luik, dat was naar de maan! Zo’n reis had ik nog nooit gemaakt! En ik had ook nog nooit een stad gezien. Thuis hadden we een boerderij en een stal met zeven koeien  dat was mijn wereld toen  dus die stad, dat was een andere planeet.

‘In Luik stapten we een winkel van bureauwaren binnen, en daar mocht ik een boekentas, twee schriften, twee potloden, twee bics en een houten meetlat kiezen. En dan de hele reis terug. Ik duizelde van de indrukken van die dag. De chauffeur met zijn kepie! De ontvanger die een ticketje draaide uit die magische machine op zijn buik. Allemaal nooit gezien en onvergetelijk voor mij. ‘En zo is heel mijn leven verweven met die bus. Ik heb er ook leren roken. Want elke scholier rookte op de bus. Wat zeg ik? Elke man, elke vrouw rookte op de bus! Dat was de lifestyle in de jaren 70. Zo’n bus vol rokers, één blauwe damp, krankzinnig als je daar nu over nadenkt. ‘En op m’n 17de werd ik verliefd! Op het mooiste meisje van Manhay! Ik zag haar voor het eerst op de bus, en weet je wat haar vader deed? Hij was de chauffeur! Haar heb ik niet kunnen krijgen, maar met hem heb ik uren staan babbelen. ‘In die jaren was er ook nog volop dienstplicht, met op de bus dat tafereel van de zondagavond: jonge miliciens die hevig staan na een weekend met of zonder lief, en weer terug moeten naar hun kazerne. Ze zingen en roepen en stompen mekaar, en ze gooien met hun kitzak. Die bus zat eivol, zelfs alle klapstoeltjes in het gangpad waren bezet. En dan de aankomst in Luik-Guillemins! Al die kaki apen kruipen en vallen over de plooistoeltjes, er wordt wéér met die kitzakken gegooid, een pandemonium, een balorig theater dat we elke zondagavond opvoerden, wetende dat er ons weer een week doffe legerdiscipline te wachten stond. ‘En wat er allemaal kon in die jaren 70! Zoals de chauffeur die hier in Manhay uitstapte met de woorden je vais pisser, het café binnenging, en eenmaal terug van het toilet twee pilsen achteroversloeg  faire le plein. Er was niet één passagier die daar een opmerking over maakte, het hoorde erbij. Ik heb ook nog chauffeurs geweten die een huis binnengingen  niet om te drinken, maar voor een vluggertje, écht. In die jaren kon álles!’

Café zonder toog

Wat toen ook nog kon: kinderen die alléén reisden. Zune: ‘Het gebeurde geregeld dat ouders aan de halte een kind meegaven. Dat was toen niet zo ongewoon. Tegen ons zegden ze dan waar die jongen of dat meisje moest afstappen. Meestal stond daar dan iemand te wachten. Eén keer kreeg ik een jongetje mee van Luik naar Aarlen, dat was drie uur bus voor dat ventje. We komen in Aarlen, daar stond een vrouw te wachten  zijn moeder, denk ik  maar die wou hem niet hebben! Ik moest ‘m maar mee terugnemen naar Luik! Ik heb die vrouw moeten overreden hè. Wat een drama voor dat kind: eerst zo lang alleen op de bus en dan nog afgewezen worden door je moeder. ‘De verhalen blijven komen, en altijd komt het erop neer dat ook nu nog heel veel mensen geen auto hebben, en dus nog altijd op die bus zijn aangewezen. Calgaro ‘Neem de administratie. In al die kleine dorpen van de provincie Luxemburg kun je niet terecht voor belangrijke administratieve verrichtingen. Je moet dus de bus nemen naar steden als Luik, Bastogne of Aarlen. Nog eens: die bus was en ís de ruggengraat van onze provincie. Zo noemen de ouderen haar ook: La Dorsale. ‘En omdat zowel jongeren als ouderen die bus nemen, is het ook een microkosmos. En wij zijn gelukkig dat we die microkosmos hebben. Dat we die familie hebben. Als er ’s morgens bij het opstappen iemand ontbreekt, dan maken we ons ongerust. Tiens, wat zou er met X. zijn? Een week later zien we X. dan terug. Zijn vader gestorven. Grote compassie en medeleven. Grote stilte in de bus.’

Wij zijn geen customers!

Maar de stilste passagier van de laatste jaren is de dreigende reorganisatie van de bus. Calgaro: ‘Sinds 1949 was de busmaatschappij in handen van de familie Collard, maar vanaf 2012 is een groot deel van de aandelen opgekocht door de Franse multinational Keolis (een vervoersbedrijf dat in enkele Europese landen actief is, red.). En als de publieke sector in handen van de privé komt, dan rukt het op: die gruwelijke managerstijl die spreekt van performance en rentability, van customers en customer relations. Wij zijn geen customers, wij zijn reizigers. Wij denken niet in termen van rendement, maar in termen van vriendschap en respect.’ Waar André Calgaro nog het meest voor vreest, is dat die landelijke lijn  ondanks de vele reizigers  ooit in haar bestaan bedreigd zal worden. `Want wat is er tussen Luik en Athus? Niks! Die bus is onze hoofdslagader. Die bus is onze lifeline.’

In memoriam
Begin 2014 werd deze reportage uitgesteld omdat de verhalen zo winters waren en het maar niet wilde winteren. André Calgaro kan zijn verhaal ondertussen niet meer lezen: hij stierf op 12 juni 2014, op 56-jarige leeftijd. Bonne route, André.