Pickup truck

Lees het verhaal

aar gingen ze nu heen met die twee gehuurde cabrio’s van hem? Op zijn computer zag hij dat ze al diep in Turkije waren. Al eerder waren klanten er met zíjn huurauto’s vandoor gegaan. Woest werd hij. En dus ging Mark Stroop op zoek naar zijn auto’s, in Koerdisch Irak.

 

TEKENING: TEUN BERSERIK

Mark Stroop zag de twee stippen op het beeldscherm tergend langzaam naar het oosten schuiven. Zijn grijze Volkswagen Golf en zijn zwarte Opel Cascada – twee cabrio’s met hooguit tienduizend kilometer op de teller – reden in Turkije, op weg naar het binnenland.

 

Hij slikte.

Het was donderdag 26 september 2013. Volgens het huurcontract moesten de auto’s op 27 september terug in IJsselstein zijn.

Nu zag hij op zijn computer dat ze 3.000 kilometer verderop reden.

Stroop draaide het telefoonnummer dat de huurder een krappe week eerder had achtergelaten. Een man met een mediterraan uiterlijk was met een tweede man bij het verhuurbedrijf aan de Edisonweg gearriveerd, had de gegevens van zijn rijbewijs laten noteren en de auto’s keurig betaald met zijn pinpas: 1.445 euro voor een week huur en twee keer 600 euro borg. Stroops vrouw Nicole had ze een prettige reis gewenst.

Het telefoonnummer van de man werkte niet.

En de twee stippen bleven naar het oosten schuiven.

Reden de mannen naar Syrië?

Had Stroop zijn auto’s aan jihadstrijders verhuurd?

Die avond reed hij naar het adres dat de man had opgegeven. Het bleek op een verlaten industrieterrein in Den Haag. Hij belde aan, niemand deed open.

Terug in IJsselstein nam Stroop contact op met de politie. De agent zei dat ze niets konden doen. De huurtermijn was nog niet overschreden.

Stroop staarde weer naar de twee stippen van zijn track-and-tracesysteem, de twee stippen met een gezamenlijke waarde van circa 70 duizend euro. Kon zijn bedrijf, waarvan hij met zijn vrouw en twee zonen moest leven, die verliespost dragen?

Hij vreesde van niet.

Die nacht stopten de stippen in de Turkse stad Gaziantep. Stroop belde opnieuw naar de politie, die om zes uur ’s ochtends zijn aangifte kwam opnemen.

Nee, zeiden de agenten, helaas konden ze niet zomaar contact opnemen met de collega’s in Turkije. Een telefoontje van een Turkse vriendin naar de politie in Gaziantep haalde ook niets uit.

De klok tikte.

Straks zouden de auto’s weer verder rijden.

* * *

Het begon met de grijze Rolls Royce, die Mark Stroop in 1993 voor zichzelf kocht. Hij reed er regelmatig in en al snel vroeg een vriend hem te chauffeuren bij zijn bruiloft. Meer verzoeken volgden. Stroop begon een vergoeding te vragen. En zo ontstond SilverLine, zijn bedrijf dat inmiddels tien cabrio’s, drie oldtimers, een limousine en 35 motorfietsen verhuurt.

Een zorgeloze business is het niet. Tot een paar jaar terug werd er gemiddeld elk jaar een auto van hem opengebroken en meegenomen. De verzekering vergoedde dat, als het tenminste niet te vaak voorkwam.

Erger waren de verduisteringen, waarbij een klant een gehuurde auto of motor niet terug brengt. Daartegen kan hij zich niet verzekeren. Het gebeurt hem een à twee keer per jaar. Zijn bloed gaat ervan koken.

Sinds een jaar of vijf voorziet hij al zijn auto’s en al zijn motoren van voertuigvolgsystemen – en vaak wel meer dan één. Vroeger moesten zulke zenders op de accu aangesloten worden, waardoor een slimme dief ze meestal snel wist te vinden. Nu installeert hij vooral systemen met een eigen energievoorziening, kleine kastjes die hij her en der in de voertuigen verstopt.

Verdwijnt er een auto, dan kijkt Stroop op de computer waar het voertuig zijn signalen uitzendt. En dan gaat hij op pad, naar België, naar Frankrijk, naar Turkije. Want grote verhuurders als Avis, Hertz of Europcar kunnen hun verdwenen auto’s misschien afschrijven, hij kan het zich niet permitteren.

En bovendien: hij gunt het die lui niet, hij gunt het ze ab-so-luut niet.

Zo was hij een paar jaar terug een motor gaan halen bij een woonwagenkamp in Arnhem, in een tijd dat de journaals berichtten dat de Belastingdienst en de politie niet op de kampen durfden te komen. Stroop – die lang is, maar niet buitengewoon breed – zag zijn motor staan, maar een potige man versperde hem de weg.

‘Die motor is niet ingeleverd’, zei Stroop. ‘Ik kom hem ophalen.’

Hij stuurde zelfs nog een factuur voor een week extra huur, het aftanken en de kosten die hij had gemaakt om de motor te komen halen, maar die werd nooit voldaan. Hij liet het er maar bij.

In Marokko was hij ook geweest. In 2009 had een 19-jarige vrouw een Volkswagen Eos – een compacte cabrio – bij hem gehuurd. Het was een verjaardagscadeautje van haar vader, zei ze. De avond voordat de auto moest worden ingeleverd belde een agent uit Limburg. Hij had die vrouw naast zich staan, die beweerde dat de wagen zojuist voor haar neus was gestolen.

Stroop startte zijn computer op en zag dat ze loog: volgens het systeem bevond de auto zich in Marrakech.

Omdat de Nederlandse politie niets kon doen, stapte Stroop de volgende dag met een Marokkaanse vriend op het vliegtuig. Ze vonden de wagen bij een hotel. Stroop pakte de reservesleutel, de auto sprong van het slot en nerveus spurtten ze naar de uitgang van het parkeerterrein.

* * *

Vrijdagavond rond een uur of zeven – anderhalve dag nadat hij de auto’s voor het eerst in Turkije had zien rijden – beschikte Mark Stroop over de documenten die de Turkse politie verlangde voordat ze actie konden ondernemen.

Maar het was te laat.

 

 

Urenlang hadden de stippen stilgestaan in Gaziantep, nu rolden ze over de D400 door Birecik, ze schampten Onbirnisan, ze doorkruisten Sanliurfa – en gleden zo langs de Syrische grens naar het oosten.

 

Waren ze op weg naar Irak? Het was goed mogelijk, dacht Stroop. De huurder was geboren in Sersink, zag hij in zijn administratie. Dat ligt in het noorden van Irak.

Stroop belde nog wat in het rond. Bij de Nederlandse ambassade in Ankara kreeg hij een antwoordapparaat. Hij draaide het noodnummer dat werd genoemd en kreeg een agent van Interpol, die de auto’s wel wilde onderscheppen.

Voor de zekerheid belde hij ook de Nederlandse ambassade in Bagdad. Iemand beloofde de auto’s bij de grens in beslag te nemen, mocht dat nodig zijn.

Rond middernacht zag Stroop de bolletjes bij de Turks-Iraakse grens stoppen. Om kwart over één stonden ze er nog steeds.

Hij was ruim veertig uur wakker.

Nu kon hij naar bed.

* * *

 

 

Rijden door de straten van Erbil

Mark Stroop ontmoette Saman Hassan voor het eerst op Schiphol. Hij liep tegen de veertig en had een stevig postuur en een dito koffer. Op zijn kin prijkte een sikje. Samen stapten ze in het vliegtuig naar Wenen, waar ze zouden overstappen op een toestel naar Erbil.

 

In hun vliegtuigstoelen spraken ze over motoren, over de Indonesische moeder van Stroop en over hun plan van aanpak. Want hoe zouden ze die twee cabrio’s terugvinden, die twee cabrio’s die toch de grens over waren gereden en vervolgens koers hadden gezet richting Duhok, waar de dieven het track-and-tracesysteem hadden gesaboteerd?

Toen Stroop had gezien dat de auto’s Irak waren binnengereden, was hij gaan op internet gaan zoeken. Duhok, dat lag in Iraaks Koerdistan, op een kleine 70 kilometer van de Turkse grens. Het was relatief rustig in de autonome regio, die sinds 1991 een eigen parlement, een eigen leger en een eigen politieapparaat heeft. Wel bleek in de hoofdstad Erbil pas nog een bom te zijn ontploft, voor het eerst sinds 2007. Een medewerker van de Nederlandse ambassade in Bagdad raadde een reis af.

‘Turkije, oké’, had Nicole gezegd toen hij over zijn voornemen vertelde. ‘Maar Irak?’

Maar Stroop was niet te vermurwen. Hij moest erheen. Hij liet die twee kerels niet kapotmaken wat hij in twintig jaar had opgebouwd.

Lukraak benaderde Stroop een Nederlandse tandarts in Iraaks Koerdistan, die hij via internet had gevonden. Ze adviseerde hem contact op te nemen met een vriend van haar, een voormalige agent van de Koerdische politie, die vijftien jaar eerder naar Nederland was gevlucht, waar hij nu ook bij de politie werkte.

Op woensdag 2 oktober belde Stroop hem, op zondag 6 oktober landden ze in Erbil. Twee voorwaarden had Saman Hassan gesteld. Eén: hij ging mee als tolk, niet als agent. En twee: hij zou geen vergoeding krijgen.

* * *

Hassan had de wagen van een vriend geleend, die er fruit en water bij had geleverd, maar ook een AK-47Nadat ze hadden geslapen in het luxueuze International Hotel, reden Stroop en Hassan in een Toyota Land Cruiser V8 door de straten van Erbil. Hassan had de wagen van een vriend geleend, die er fruit en flessen water bij had geleverd, maar ook een AK-47, omdat hij die niet thuis wilde bewaren, met die kleine kinderen van hem.

Stroop verbaasde zich over de moderne auto’s, over de neonreclames en over de gebouwen die uit de grond gestampt werden, maar ook over de brandvlek op het asfalt, op de plek waar die bom pas was ontploft.

Bij het politiebureau staken gewapende agenten een bomspiegel onder de auto. Ze controleerden de bagage.

Een generaal, die op een verhoog achter een bureau zat, stond op en zoende Hassan op beide wangen. Ze kenden elkaar.

Er kwam zoete thee.

Hassan voerde het woord, Stroop toonde de documenten die hij had verzameld en foto’s van de twee verduisterde auto’s. Op zijn iPad liet hij het track-and-tracesysteem zien dat aangaf waar de auto’s voor het laatst signalen hadden uitgezonden.

De generaal beloofde alles te doen om hem te helpen.

Nog diezelfde middag reden ze richting Duhok, een tocht van ruim 160 kilometer naar het noordwesten. Ze passeerden checkpoints, waar ze dankzij de agent die door de generaal was meegestuurd makkelijk konden doorrijden. Ze reden door bergen, zagen kapotgeschoten huizen en velden vol bloemen.

‘Wat is dat?’ vroeg Stroop, toen hij in de verte rookpluimen zag opstijgen.

Dat waren de olievelden, zei de agent. Daar werden de vrijkomende gassen afgefakkeld, dat was volkomen normaal.

Het stelde hem niet helemaal gerust.

* * *

Rond negen uur ’s avonds arriveerden Stroop en Hassan bij een hotel in Duhok, waar ze werden opgewacht door een lange man met opvallend glad geschoren wangen. Hij bleek inspecteur bij de recherche.

Hassan begroette hem met twee zoenen en vertelde het verhaal. Af en toe wees hij naar de iPad van Stroop. Kijk, hier op Zakho Way had de Volkswagen Golf gestaan toen de voertuigvolgsystemen waren ontmanteld. En daar op Qazi Mohammad Road de Opel.

‘Kom’, zei de rechercheur na een paar sigaretten. ‘We gaan de auto’s zoeken.’

Het was tien uur ’s avonds.

Nog voor hij het wist, vroeg Stroop of hij mee mocht.

De rechercheur parkeerde zijn Hyundai om de hoek. ‘Het is beter dat jij hier blijft’, zei Hassan.In zijn Hyundai ix35 reed de gladgeschoren rechercheur met Hassan naast zich en Stroop op de achterbank door de donkere straten van Duhok. Het zag er anders uit dan Stroop verwacht had. Op Google Earth leek de stad op een stoffige vlakte met her en der een hutje, maar hier zag hij reclameborden, stoplichten, bewegwijzering.

‘Die foto’s van Google zijn tien jaar oud’, zei de rechercheur.

Omdat ze zich moeilijk konden oriënteren, belde Stroop naar IJsselstein, waar Nicole op haar computer kon zien waar Stroop en zijn iPhone zich bevonden. Ze kende ook de locatie waar de Opel had gestaan.

‘Nog twintig meter en dan naar rechts’, zei ze door de telefoon.

Stroop gaf de aanwijzing door aan Hassan, die het vertaalde.

‘Ja!’ riep Nicole niet veel later. ‘Dit is de plek waar de auto moet staan.’

Ze stonden voor een appartementencomplex met een paar garageboxen. De rechercheur parkeerde zijn Hyundai om de hoek.

‘Het is beter dat jij hier blijft’, zei Hassan.

Stroop zag hoe de twee mannen wegliepen. Daar zat hij dan, alleen in een donkere auto in een buitenwijk van een Koerdische stad. Na een paar minuten stopte er een pick-uptruck, de koplampen op hem gericht. Drie mannen stapten uit.

Stroops hart versnelde.

Ze kwamen zijn kant op.

Hij drukte de deuren op slot.

Nog een paar meter.

Moest hij zijn vrouw bellen?

‘Ik zit in mijn eentje in een auto’, zei hij toen Nicole opnam.

‘Gaat het wel?’ vroeg ze.

Toen zag hij dat de mannen voorbijliepen.

Even later kwamen Saman en de rechercheur terug. De cabrio’s van Stroop hadden ze niet gezien. Wel zagen ze door een kier een andere auto met een Nederlands kenteken in een garage staan. Het was een grijze BMW Z3.

* * *

De volgende ochtend zochten ze opnieuw. Ze reden langs het appartementencomplex met de garageboxen, maar troffen niets aan.

Ze reden naar Zakho Way, waar de stip van het track-and-tracesysteem leek te wijzen naar een garagebedrijf. De cabrio’s van Stroop stonden er niet.

Om onopvallend poolshoogte te kunnen nemen, besloten de rechercheur en een collega zich voor te doen als brandweerinspecteurs. Ze zouden de winkels op Zakho Way op brandveiligheid controleren. Ondertussen kochten Stroop en Hassan bij een winkel wat fruit en een paar flesjes water.

Een klein uur later keerden de agenten terug. Ze hadden een stuk of tien panden doorzocht, vertelden ze, maar wederom niets aangetroffen.

Toen ze wegreden, zag Stroop een zilvergrijze BMW Z3 staan, de BMW Z3 die de avond daarvoor nog in die garage aan Qazi Mohammad Road stond.

De plekken waren verbonden.

Op zijn iPad voerde Stroop het kenteken van de BMW in op de site van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. De auto leek niet gestolen.

Ze reden nog een blokje om, maar ook daar vonden ze niets.

Op de achterbank kreeg Stroop koppijn.

Die auto’s, dacht hij, zie ik nooit meer terug.

* * *

Het liefst wilde Mark Stroop terug naar huis, maar eerst moest hij nog wat formaliteiten afhandelen. Daarom meldde hij zich om vier uur ’s middags met Hassan bij de officier van justitie.

Er kwam zoete thee.

De officier van justitie zei dat de mogelijkheid bestond dat de dief niet werd aangeklaagd voor diefstal, maar voor ‘het misbruiken van het vertrouwen van een ander’. Daar stond vijftien jaar gevangenisstraf op.

Vijftien jaar, dacht Stroop later, dat was lang voor zo’n vergrijp.

 

 

De auto’s zijn gevonden.

Maar aan de andere kant: door die vent zat hij nu in Iraaks Koerdistan. Misschien moesten ze zulke straffen ook in Nederland invoeren, dacht hij. Dat zou dieven tenminste afschrikken.

 

Op twee blanco A4’tjes met een carbonpapiertje ertussen schreef de officier van justitie een verklaring. Er kwam een stempel tevoorschijn. Stroop zette zijn handtekening.

Nu nog langs een rechter, en dan was hij hier klaar.

* * *

Een week of twee later zat Mark Stroop in een vakantieappartement op Cyprus te peinzen. Hij had al aan verschillende mensen gevraagd om mee naar Iraaks Koerdistan te gaan, maar na aanvankelijk enthousiasme waren ze stuk voor stuk teruggekrabbeld: moet werken, vakantie geboekt, mag niet van vriendin.

En dus typte Stroop op 24 oktober een bericht op Facebook:

‘Ik ben op zoek naar een avonturier die samen met mij twee cabrio’s vanuit Koerdistan naar Nederland wil rijden. Reken op een week tijd, alle kosten worden uiteraard vergoed, maar geen (uur)loon. Heenvlucht binnen nu en drie weken.’

Want ja, de auto’s waren gevonden. Een uur voordat Stroop en Hassan op het vliegtuig terug naar Nederland waren gestapt, had de telefoon gerinkeld. De politie had foto’s van de auto’s verspreid en de eerste was bij een checkpoint onderschept, met de dief er nog in. Tijdens de tussenstop in Wenen bleek ook de tweede auto te zijn gevonden.

Heugelijk nieuws natuurlijk, en Stroop had direct Nicole gebeld om het te vertellen, maar daarmee waren de auto’s nog niet terug in IJsselstein. En elke dag dat ze daar stonden, kostte hem omzet.

Facebook moest nu redding brengen.

Al snel belde Jos Horstink, die het aanbod eerder nog had afgeslagen. Hij is eigenaar van Star Limousine, een bedrijf in Schiedam waar hij onder andere een knalroze verlengde Hummer en een witte Excalibur met originele spaakvelgen verhuurt. Het leek hem toch wel een mooie ervaring.

Stroop drukte Jos op het hart om het ook met zijn vrouw te bespreken. Die vond het goed. Vanuit Cyprus zocht hij naar tickets.

Niet veel later belde Jolle Wind, makelaar te Bolsward. Hij was kort daarvoor zijn baan kwijtgeraakt en kon wel een verzetje gebruiken, zei hij. Dus ja, hij wilde mee.

Stroop stamelde dat hij al iemand had gevonden, maar Wind was niet te vermurwen. Desnoods zou hij zijn eigen ticket betalen.

* * *

De Koerdische politie gaf Mark Stroop en zijn vrienden een vipbehandeling. Op dinsdag 17 november 2013 rond zeven uur ’s ochtends stopte een grote zwarte Toyota met politienummerborden voor Hotel Rotterdam in Erbil. Naast de chauffeur zat een luitenant met doorlopende wenkbrauwen. Hij sprak een klein beetje Engels.

Stroop, Horstink en Wind stapten in, waarna de auto koers zette richting Duhok. Op de achterbank maakten ze selfies.

 

 

Lekker eten in Duhok.

Een paar dagen eerder waren de drie Nederlanders gearriveerd, maar omdat het weekeinde in moslimlanden op vrijdag en zaterdag valt, moesten ze zich zelf vermaken. Met een taxichauffeur bezochten ze de citadel van Erbil, een gloednieuw winkelcentrum met marmeren vloeren en het bergdorp Shaqlawa.

 

Op zondag waren ze naar Duhok gegaan, maar daar bleek dat een belangrijke handtekening ontbrak. Ze moesten terug naar Erbil.

Nu waren ze opnieuw op weg naar Duhok. Daar zou Stroop een paar handtekeningen zetten, en de functionarissen een paar mooie stempels. Ze zouden de sleutels krijgen. En dan begonnen ze aan de lange weg naar IJsselstein.

Nog voor het middaguur stopte de zwarte Toyota bij het politiebureau in Duhok. Geüniformeerde mannen met mitrailleurs staken bomspiegels onder de auto en controleerden de bagage. Toen kwam er een agent met drie sterren op zijn schouder op de auto af – een kapitein, wist Stroop.

De kapitein begroette de luitenant met de doorlopende wenkbrauwen en begon tegen hem te praten. Stroop luisterde naar die Koerdische zinnen vol keelklanken, zinnen die aanvankelijk amicaal klonken, maar langzaam serieuzer werden.

* * *

 

 

Jos Horstink, Jolle Wind en Mark Stroop met hun helpers bij het Department of Crime.

In het politiebureau wachtte de gladgeschoren rechercheur de drie Nederlandse bezoekers op. Hij herkende Stroop nog – ze hadden tijdens zijn eerdere bezoek samen naar de auto’s gezocht – en begroette hem met zoenen op beide wangen.

 

Horstink en Wind keken verbaasd toe.

Er kwam zoete thee.

Die dag moesten er twee dingen gebeuren, zei de rechercheur. Allereerst moest Stroop hem alle papieren tonen die hij in Nederland had verzameld. En ze moesten het hebben over zijn aanklacht tegen de verdachte.

‘Ik wil eerst de auto’s zien’, zei Stroop, die zich de afgelopen weken had afgevraagd of er geen raketlanceerinstallaties in waren gelast.

De auto’s bleken in goede staat.

Toen werd Stroop naar een kantoor gebracht, waar al snel vier mannen binnenkwamen, onder wie de kapitein die hen buiten eerst amicaal en toen serieuzer had aangesproken. Als Stroop het goed begreep, waren het familieleden van de dader.

Er kwam zoete thee.

De mannen vertelden hoe afschuwelijk het voor hen was dat de dader gevangen zat. Het was een schande voor de hele familie! En wist Stroop wel dat hij vijftien jaar gevangenisstraf kon krijgen? Ze smeekten hem om zijn aangifte in te trekken.

Daar had Stroop niet op gerekend. Hij voelde er niet veel voor.

Maar ja.

Wat zou er gebeuren als hij weigerde? Wie weet stonden die mannen hem dan buiten de poort op te wachten met hun kalasjnikovs. Hij had geen idee of hij hier met een kruimeldief of een professionele bende te maken had.

Hij belde met Hassan, die beter vertaalde dan de luitenant met de doorlopende wenkbrauwen. Hassan vertelde dat het in Koerdistan gebruikelijk is dat de dader en het slachtoffer proberen een schikking te treffen, en dat daar soms ook een schadevergoeding tegenover staat.

Dat klonk interessant, vond Stroop.

‘100 duizend dinar’, bood een van de mannen.

Stroop kende de koers, hij kreeg een paar tientjes aangeboden.

De mannen boden iets meer.

Stroop vond het te weinig.

‘Ik heb 10 duizend dollar aan kosten’, zei hij.

De onderhandeling stokte.

 

 

Niet veel later rijden twee Nederlandse auto’s door de straten van Duhok.

Stroop twijfelde. Hij kon de sleutels accepteren en wegrijden. Dan kreeg die vent zijn straf. Of hij kon een vergoeding opstrijken en die kerel een lijdensweg besparen, want de cellen waren in Irak klein en smerig en lijfstraffen niet ongebruikelijk, zo had hij vernomen.

 

Toen boden de mannen 7.000 dollar.

Stroop twijfelde.

Hij overlegde met Horstink en Wind.

Doen, zeiden die.

En Mark Stroop accepteerde het bod.

Er verscheen een brede glimlach op de gezichten van de vier mannen. Heel hartelijk bedankt! Het geld zouden ze meteen gaan halen.

En ja hoor, na een uur arriveerden ze met een bruine envelop vol contanten. Stroop telde het geld en controleerde de watermerken. Daarna vertrok hij naar de officier van justitie en de rechter om de aanklacht in te trekken.

Terug in het politiebureau straalde de dankbaarheid nog altijd van de gezichten van de familieleden van de dader. Hadden de bezoekers misschien zin om iets te gaan eten?

Stroop keek de tolkende luitenant aan, om te peilen of het een valstrik was. Nee, zei die. En dus trokken ze, begeleid door twee agenten, naar een naburig restaurant. Er kwamen schalen vol vleesspiezen, vol brood, vol soep en olijven.

En er was zoete thee.

De drie Nederlandse mannen, die vanaf het ontbijt niets meer gegeten hadden, lieten het zich smaken. Soms wisselden ze een blik uit met de tafel verderop, waar de opgeluchte familie zat.

Niet veel later reden twee Nederlandse cabrio’s door de straten van Duhok – Horstink met een agent in de Volkswagen Golf, Stroop en Wind daarachter in de Opel Cascada.

* * *

 

 

Onderweg in de Opel Cascada. Achter de bergen ligt Turkije.

Na honderden, duizenden kilometers asfalt, alleen onderbroken door oponthoud bij grensposten en overnachtingen in de Turkse hoofdstad Ankara, de Bulgaarse stad Plovdiv en het Hongaarse Szeged, reed Mark Stroop in de Opel Cascada over de Duitse Autobahn. Hij zat alleen, het was al donker en het navigatiesysteem toonde dat hij rond middernacht in IJsselstein zou zijn.

 

Hij passeerde Oberhausen, Nederland was niet ver meer.

Nu het nog kon, moest hij ervan genieten.

Hij trapte het gaspedaal in.

140, 160.

Heerlijk.

180.

Nog dieper.

200.

En rond half elf ’s avonds gaf de teller van zijn teruggehaalde cabrio heel even 218 kilometer per uur aan.

Het voelde goed.

Nog voor twaalf uur passeerde hij het Shellstation in IJsselstein, hij sloeg rechtsaf en nog een keer rechtsaf, de Edisonweg op. Hij parkeerde de auto achteruit op de wasplaats voor zijn bedrijf, en zag Nicole en zijn twee zonen het huis uit stormen.

Niet veel later arriveerden ook Horstink en Wind.

De stippen waren thuis.

Deze reconstructie kwam tot stand op basis van gesprekken met Mark Stroop en zijn vrouw Nicole Rowaan, Saman Hassan, Jos Horstink en Jolle Wind. Ook werd gebruik gemaakt van foto’s, kaartmateriaal en Facebookberichten. De Volkswagen Golf heeft Stroop inmiddels verkocht, de Opel Cascada is nog te huur.

De foto’s zijn gemaakt door Mark Stroop.

Toelichting auteur

‘Of we nog iemand wisten, vroeg de chef Binnenland van de Volkskrant begin zomer aan de verslaggevers. Er waren interviews nodig, interviews met mensen die het afgelopen halfjaar in het nieuws waren geweest. Ze moesten de zomerkranten – we wisten nog niet dat MH17 uit de lucht geschoten zou worden – een beetje massa geven.’

Rik Kuiper moest meteen aan Mark Stroop denken, ‘die autoverhuurder uit IJsselstein. In januari had Stroop het Algemeen Dagblad gehaald omdat hij eigenhandig twee verduisterde huurauto’s terug had weten te halen. Uit Irak. Ik had twee dingen gedacht toen ik dat bericht las. Allereerst: wat een waanzinnig avontuur! En vervolgens: wat zonde dat dit verhaal niet beter is opgeschreven.’


Al tijdens het gesprek met Stroop dacht Rik Kuiper: ‘Dit moet ik helemaal niet uitwerken als interview, dit is veel meer. Dit is een avonturenverhaal dat ik van begin tot eind in scènes moet opschrijven. Bij de Volkskrant vonden ze dat gelukkig ook.’

Mooie quotes ‘Het was een heel behoorlijk krantenartikel over Mark Stroop in het AD, laat ik dat vooropstellen. Zevenhonderd woorden, een paar mooie quotes van de held zelf. Maar toch… ik voelde de spanning van dat avontuur niet, ik zag niet voor me welke mensen hij ontmoet had, hoe hij die auto’s nu exact terug had gekregen. In een zomerinterview, een klein halfjaar na het avontuur, wilde ik proberen die dingen boven water te krijgen.’

Weinig gêne ‘Stroop ontving me in het kantoortje bij zijn verhuurbedrijf. Hij nam plaats achter zijn bureau en begon te vertellen. Hoe hij zijn twee auto’s door Turkije zag rijden. Hoe hij het telefoonnummer van de huurder belde. Hoe hij tevergeefs naar het adres reed dat de mannen hadden achtergelaten. Stroop bleek de verteller die elke verhalende journalist zich wenst – veel oog voor details, weinig gêne om over zijn gevoelens te praten. Soms greep hij naar een map waarin hij aantekeningen had gemaakt.’

Theedrinkende officials ‘Ik werkte het gesprek uit, probeerde de gebeurtenissen in chronologische volgorde te zetten – wanneer waren ze nou bij welke theedrinkende official in welke stad? – en schetste voorzichtig een spanningsboog. Ook maakte ik snel de keuze voor een duidelijk perspectief: ik zou het verhaal vertellen door de ogen van Mark Stroop. De lezer zag wat hij zag, rook wat hij rook, wist wat hij wist. En niets anders.’

Brandweerinspecteurs ‘Die keuze gaf houvast bij het schrijven, maar onthief me ook van de plicht om scènes te reconstrueren waar hij niet bij was en waar ik dus veel minder of helemaal geen informatie over had. Ik hoefde niet te schrijven hoe de politiemannen zich voordeden als brandweerinspecteurs. Ik hoefde niet precies te weten hoe de agenten in Irak uiteindelijk de auto’s terugvonden. Daar was Stroop immers niet bij. Ik begon een kladversie te schrijven.’

Scènes verzinnen ‘Vanaf het begin wist ik dat het verhaal zou starten op het moment dat Stroop zijn auto’s door Turkije zag rijden. Het was een mooi beeld, die stippen die over dat scherm schoven. En daarmee stond het verhaal ook meteen op spanning. Ik wist ook: in de laatste scène zou hij terugkeren in IJsselstein. Maar wat gebeurde daar tussenin? Stroop had me van alles verteld, ik kon zo twintig scènes verzinnen, maar dat zouden er veel te veel zijn. Ik moest de scènes selecteren die echt van belang waren.’

Oproep op Facebook ‘Bij het schrijven van scènes probeer ik over het algemeen drie dingen voor ogen te houden. Ten eerste streef ik naar eenheid van tijd en plaats – alles speelt zich min of meer op dezelfde plek af, op hetzelfde moment. Ten tweede moet er handeling zijn in een scène; een man kijkt naar een scherm, mannen zoeken een auto in een donkere stad, een man zet een oproep op Facebook. Er moet iets gebeuren, er moet actie zijn, de lezer moet bewegende beelden op zijn netvlies krijgen.’

Hij ruikt onraad ‘Ten slotte moet er aan het einde van een scène iets veranderd zijn ten opzichte van het begin. In de eerste zin van het verhaal ruikt Stroop onraad, aan het slot van de eerste scène weet hij dat het goed mis is. De situatie is dus verergerd. Aan het begin van de scène op Cyprus zoekt Stroop iemand om mee naar Irak te gaan, aan het eind heeft hij iemand gevonden. Na elke scène moet het verhaal een stap dichter bij de climax zijn.’

Geld, tijd en lef ‘Terwijl ik schreef, deed ik nader onderzoek, zoals ik dat vaker doe. Al schrijvend weet ik pas welke informatie ontbreekt, welke details ik nog wil weten. Ik bekeek foto’s op de Facebookpagina van Stroop. Ik reed via Google Maps delen van de route na, omdat ik geen geld, tijd en lef had om de tocht zelf over te doen. En ik benaderde tolk en bemiddelaar Saman Hassan en reisgenoten Jos en Jolle om hun versie van het verhaal te horen. Langzaam kreeg het verhaal vorm. Ik schreef de derde scène, de vierde, de vijfde.

Ik trapte het gaspedaal in.

140, 160.

Heerlijk.

180.

Nog dieper.

200.

En in de laatste dagen van juli veranderde ik de laatste punten en komma’s van het verhaal. Het voelde goed. De stippen van Stroop konden de krant in.’

Biografie

Rik Kuiper

Rik Kuiper (1977) werkt sinds 2014 als onderwijsverslaggever bij de Volkskrant. Hij rolde in de journalistiek via de TU Delft. Na drie jaar freelancen kon hij in 2004 aan de slag bij het net opgerichte populair-wetenschappelijke tijdschrift Quest.

 

Wanneer hij precies verliefd werd op verhalende journalistiek is niet meer te achterhalen, maar hij was betrokken bij de eerste, tweede én derde conferentie voor Verhalende Journalistiek. Sindsdien probeert hij ook zelf zo verhalend mogelijk te schrijven.

In 2014 verscheen zijn non-fictienovelle Lieve meisjes, heel gewoon, over de Friese Siamese tweeling waarmee hij het vorige Jaarboek haalde. Van het boek zijn inmiddels zo’n drieduizend exemplaren verkocht.

Strips bij Pick-uptrip: Teun Berserik.

Contact

Adres:

Postbus 15899
1001 NJ Amsterdam
Nederland

E-mail:
info@verhalendejournalistiek.nl